zondag 27 februari 2011

Ssst, geheim!

Deze zomer komt En de groeten van Haas uit. Jij bent natuurlijk supernieuwsgierig. Daarom voor jou hier het eerste verhaal van de nieuwe bundel. Mondje dicht, hè?

Dag Haas

Haas staat voor zijn huis en kijkt naar links en naar rechts. Dat is nou al de tiende keer dat hij dat doet. Haas wacht op Kip. Hij heeft haar uitgenodigd op de thee. Maar Kip is er nog niet.
Haas loopt weer naar binnen en kijkt naar de tafel. Heeft hij niks vergeten?
De worteltjestaart ruikt overheerlijk. In een mand staren sappige perziken, aardbeien en kruisbessen hem aan. Verse maïskoekjes liggen in de trommel. Er staat een geurige pot rozebottelthee te dampen. Er is honing en het servies staat klaar. Haas heeft zelfs een bos bontgekleurde bloemen geplukt en in zijn mooiste vaas gezet voor Kip. O wacht, hij zal nog even servetjes pakken.
Als hij dat gedaan heeft, loopt Haas weer naar buiten. Maar nee, geen Kip te zien.
Wat duurt wachten lang! De tijd gaat afschuwelijk langzaam. Maar straks als Kip er is, gaat het juist andersom. Dan gaat de tijd heel snel. Dat weet Haas nu al. Gemeen eigenlijk, denkt Haas. Tijd zou juist bij fijne dingen heel erg lang moeten duren.

En dan komt daar eindelijk Kip om de hoek aan. Haas rent haar tegemoet.
‘Ha, Kip! Wat fijn dat je er bent. Kom gauw met me mee naar binnen. De thee staat al klaar.’
Als Kip de feesttafel van Haas ziet, schrikt ze. ‘Maar Haas dat had je niet hoeven doen.’
‘Hoeft niet, maar mag wel,’ lacht Haas. ‘Ik wil je graag verwennen.’
Haas schenkt Kip een kopje thee in. ‘Wil je er wat honing in?’
‘Nee, Haas, dankjewel,’ zegt Kip.
‘Geen honing?’ Haas snapt er niks van. Honing is hartstikke lekker. ‘Wil je dan een stuk taart?’
‘Nee, Haas, dankjewel,’ zegt Kip.
‘Geen taart?’ roept Haas. ‘Wat krijgen we nou? Moet ik die taart soms helemaal alleen opeten?’
Kip knikt. ‘Het spijt me, Haas, maar ik doe aan de lijn.’
‘Jij?’
‘Ja,’ zegt Kip, ‘ik zie er zo dom uit. Moet je mij eens goed bekijken. Zo’n stom rood kammetje op mijn kop, twee malle fliebers aan mijn kin, rare kromme poten, hartstikke geel bovendien, een veel te dikke buik en het ergste van alles vind ik dat idiote korte staartje van me.’
‘Maar Kip,’ roept Haas. ‘Hoe kom je daar nou bij? Ik vind jou de mooiste van alle dieren uit het bos. En ook nog eens de liefste. Je moet ophouden met die onzin.’
‘Het is geen onzin. Ik zie er afschuwelijk uit en ga er wat aan doen. Ik wil een meek-over.’
‘Een meek-over? Wat is dat dan?’ vraagt Haas.
‘Dat is dat ik er na die meek-over helemaal als nieuw uitzie. En niet alleen nieuw, ook nog eens véél mooier.’
‘Maar dan ben je straks mijn eigen lieve Kip niet meer!’ Haas snapt er niks van. ‘Hoe is het gekomen dat je jezelf ineens stom vindt?’
‘Gewoon onderweg,’ zegt Kip. ‘Daar zag ik…’
‘Nou?’ vraagt Haas. ‘Wat zag je onderweg?’
Ineens springt Kip van haar stoel. ‘Weet je wat? Kom maar met me mee, dan kun je het zelf zien.’

Even later lopen Haas en Kip door het bos. Kip wijst de weg. ‘Rechtdoor, nu naar links en bij die dikke spar weer naar links en dan naar de vijver.’
Haas doet gehoorzaam wat Kip zegt. Hij snapt er niks van dat Kip zo ontevreden is over zichzelf.
Aan de rand van het water staat Kip stil. Ze kijkt om zich heen en tuurt in de verte.
‘Ze slaapt,’ zegt ze dan. Ze wijst naar Zwaan die in elkaar gevouwen zit. ‘Nu kun je het niet goed zien. Straks zwom ze op het water en als je mij ziet, naast die prachtige Zwaan, snap je wel waarom ik een meek-over wil.’ Kip gaat op een boomstronk zitten en kijkt heel verdrietig.
‘Maar Kip,’ zegt Haas, ‘jij bent Kip, je moet je niet vergelijken met Zwaan. Je moet je trouwens helemaal niet met een ander vergelijken.’
Kip kijkt nog steeds verdrietig. ‘Zie je niet wat een mooie slanke hals zij heeft en een mooie oranje snavel? En dan heb ik het nog niet eens over haar krachtige vleugels en het allermooiste: haar schitterende spierwitte staart.’
‘Klopt,’ zegt Haas, ‘Zwaan is mooi, maar voor mij ben jij de mooiste.’
Ineens kijkt Kip op. Zou ze toch tevreden zijn? ‘Haas,’ zegt ze met haar liefste stemmetje. ‘Wil je iets voor me doen?’
‘Kip,’ zegt Haas, ‘voor jou doe ik alles.’
‘Alles?’ vraagt Kip.
‘Euh, nou ja bijna alles.’
‘Als ik nou zo’n mooie witte veer van Zwaan had, kon ik die bij mijn eigen staart steken en dan was die ineens veel langer.’
‘Maar dat is pronken met de veren van een ander, van Zwaan!’ roept Haas.
‘Wie ziet dat nou?’ zegt Kip. ‘Ah toe, Haas. Zwaan slaapt. Je kunt er gemakkelijk eentje plukken. Jij bent zo dapper.’
Haas schudt zijn hoofd. ‘Dat doet toch pijn!’
‘Nee,’ zegt Kip, ‘je moet er een nemen die toch al los zit.’
‘Maar je kunt er toch gewoon om vragen,’ zegt Haas.
‘Nee, dat doet ze nooit. Ah, toe Haas. Doe het voor me. Zwaan mist hem vast niet.’
Haas aarzelt. Het voelt niet helemaal goed, maar ja, als Kip dan weer gelukkig is?
Stapje voor stapje loopt Haas naar Zwaan. Kip trippelt een eindje achter hem aan.
‘Je bent mijn held,’ zegt ze. Dat hoort Haas graag, al voelt hij zich helemaal geen held.
Nu is hij bij Zwaan, maar Zwaan lijkt wel een bergje. Haas kan niet zien waar haar hoofd is en waar haar staart. Hij frunnikt wat.
‘Trekken!’ zegt Kip. ‘Gewoon trekken.’
En dan trekt Haas aan een veer. ‘Hebbes,’ zegt hij.
‘Au!’ roept Zwaan. Ze steekt haar nek uit en het bergje zakt in. Haas valt erbovenop.
‘Wat deed jij nou?’ zegt Zwaan. ‘Ik schrok me kapot. Jij hebt een veer van me geplukt!’ Ze slaat haar vleugels uit en vliegt op. Met Haas op haar rug.
‘Wacht,’ roept Haas, ‘zet me neer.’
‘Niks daarvan,’ zegt Zwaan. Ze cirkelt rondjes, een eindje boven Kip.
‘Het spijt me,’ zegt Haas. Er klinkt een piep in zijn stem. ‘Ik zal het nooit meer doen. Maar nu hebben we toch wel genoeg gevlogen? Wil je even landen?’
‘Weet je,’ zegt Zwaan. ‘Ik was juist van plan om na mijn dutje te beginnen aan een reisje naar het zonnige zuiden of nog verder.’
‘Nee!’ roept Haas. ‘Zet me neer!’
‘Dat was ik niet van plan,’ zegt Zwaan. ‘Ik zal je eens leren hoe je een echte held wordt.’
Beneden staat Kip. Ze zwaait en roept. ‘Zwaan, zet Haas alsjeblieft neer. Het komt allemaal door mij.’
‘Jammer dan,’ zegt Zwaan.
‘O Haas, wat erg!’ roept Kip. ‘Het spijt me zo, Haas. Ik wil nooit meer een meek-over. O, o, o, het is allemaal mijn schuld.’
‘Eet mijn taart maar op om het goed te maken,’ roept Haas. ‘Ik denk dat die bedorven is voor ik weer thuis ben.’
‘We gaan,’ zegt Zwaan en ze vliegt hoger en hoger richting de zon.
‘Help,’ gilt Haas. Hij slaat zijn armen stevig om de hals van Zwaan.
‘Stuur je me brieven met de postduif?’ roept Kip. Haas kan haar bijna niet meer verstaan.
‘Ja, doe ik. Doe iedereen de groeten. Dag Kip!’
‘Dag Haas.’
‘Vooruit, dan mag je mijn veer houden,’ zegt Zwaan. ‘Kun je daar je brieven mee schrijven.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen